Home » News » Experten in debat met minister Beke over de zorg van de toekomst
Debat

Experten in debat met minister Beke over de zorg van de toekomst

“Multidisciplinariteit is niet meer weg te denken uit onze gezondheidszorg”

Onze zorgsector staat voor enorme uitdagingen, zowel op het vlak van financiering als wat betreft de nood aan meer samenwerking en preventie, de toenemende vergrijzing en het integreren van nieuwe technologieën.

Wouter Beke, Vlaams minister van Welzijn en Volksgezondheid, gaat in gesprek met zeven experten uit de sector.

Tekst: Joris Hendrickx – foto’s: Kris Van Exel

Welke impact zullen de digitalisering en nieuwe technologieën hebben op de kwaliteit en betaalbaarheid van onze zorg?

Wouter Beke: “Informatiedeling zal enorm belangrijk worden. Daarbij denk ik dan uiteraard aan het elektronisch patiëntendossier (EPD), maar ook over hoe gezondheidsinformatie op elkaar kan worden afgestemd. BelRAI is een goed voorbeeld van hoe de toestand van een patiënt over verschillende fases, afdelingen en zorgverstrekkers globaal en gestandaardiseerd wordt beoordeeld.”

“Vanuit de overheid zitten we hierdoor wel met een paradox. We gaan bij onze initiatieven zeer strikt om met privacy, terwijl dat voor private spelers vaak een minder groot probleem is. Ik zie op verschillende niveaus mogelijkheden om nieuwe noodzakelijke accenten te leggen. Zo zullen we in de chronische zorg – een van dé uitdagingen van de toekomst – meer kunnen focussen op de zorg zelf omdat de back office performanter zal draaien.”

“Ook zelfzorg zal vaker mogelijk zijn, en dat is alleen maar positief voor de autonomie van de patiënten mits we hen daar mee kunnen leren omgaan.”

“Verder is er de technologische ondersteuning voor artsen en verpleegkundigen die steeds verder gaat, maar die ons tegelijk ook voor een gigantische veiligheidsuitdaging stelt. De hacking van een economische activiteit is erg, maar als datzelfde gebeurt met een maatschappelijke activiteit als zorg en gezondheid is de impact nog veel dramatischer. Bovendien is technologie niet enkel kostenbesparend, we zullen ook moeten investeren.”

Wouter Beke





« De evolutie van ons zorglandschap zal ons noodzaken om informatiedeling transversaal te bekijken. »

Wouter Beke
Vlaams Minister van Welzijn en Volksgezondheid

Frank Rademakers: “Naar aanleiding van het groenboek op vraag van de Vlaamse Regering over de toekomst van de Hospitalen hebben we vanuit UZ Leuven een grote enquête gedaan waaruit bleek dat het delen en beschikbaar maken van informatie tussen zorgverleners op de plek waar ze nodig is een essentiële vraag is van patiënten en burgers. Er bestaan vandaag omwille van de privacy echter nog steeds een te begrijpen terughoudendheid. Volledige transparantie naar patiënten en de gemeenschap over wie waarom welke data wanneer heeft én gebruikt is volgens mij de enige manier om dat op te lossen.”

Raoul De Cuyper: “De evolutie van de ziekenhuizen met samenwerking binnen netwerken vraagt om een vlotte, transparante en brede communicatie met alle betrokken actoren, dus ook met de patiënt. Anderzijds benadrukken we vanuit de optiek van de geestelijke gezondheidszorg altijd de unieke menselijke en professionele relatie tussen behandelaar en patiënt. De deskundigheid van de behandelaar heeft een belangrijke implicatie op die relatie, terwijl technologie altijd eerder een hulpmiddel zal blijven.”




« De evolutie van de ziekenhuizen met samenwerking binnen netwerken vraagt om een vlotte, transparante en brede communicatie met alle betrokken actoren, dus ook met de patiënt. »

Raoul De Cuyper
Algemeen Directeur Psychiatrisch Centrum Gent Sleidinge

Lieven De Smedt: “Technologie is een hulpmiddel dat zeker een shift zal teweegbrengen. Sommige eenvoudige activiteiten zullen kunnen worden overgenomen door nieuwe technologieën. Daarbij denk ik aan AI om de diagnosestelling te helpen voorbereiden of aan bepaalde behandelingstechnieken. Zo kunnen de artsen zich beter focussen op de complexe zaken.”

“Wat betreft de financiering zorgt dat wel voor uitdagingen, want het aantal bedden zal worden afgebouwd. De bedden die blijven zullen voornamelijk complexere gevallen zijn, waardoor er terecht een bezorgdheid is onder de ziekenhuizen.”

Luc De Lat: “Het delen van platformen wordt cruciaal, net omdat er tot vandaag heel afgesloten en anders wordt gewerkt in de verschillende zorgdisciplines. Het delen van info zal zowel voor een betere integratie en opvolging als voor goed uitgewerkte zorgpaden zorgen. We moeten hier dus verdere stappen in zetten zodat we een beter rendement halen bij iedere patiënt. De zorg moet meer vraaggestuurd worden in plaats van aanbodgestuurd.”



« De zorg moet meer vraaggestuurd worden in plaats van aanbodgestuurd. Het delen van info zal zowel voor een betere integratie en opvolging als voor goed uitgewerkte zorgpaden zorgen. »

Luc De Lat
Manager Social Profit voor Vlaanderen ING

Hoe ver moet het delen van informatie gaan?

Frank Rademakers: “De zorgpaden eindigen uiteraard niet bij de deuren van het ziekenhuis. We moeten daarom af van het onderscheid tussen eerste, tweede en derde lijn waarbij men uitgaat van het aanbod in plaats van het perspectief van de patiënt. Iemand met een beroerte moet meteen of zo snel mogelijk in contact komen met een hypergespecialiseerd ziekenhuis. Voor die patiënt is de eerste lijn dus een derdelijnsziekenhuis. Als we de patiënt centraal willen stellen, dan moeten we de informatie ter beschikking stellen over de lijnen heen.”

Wouter Beke: “De evolutie van ons zorglandschap zal ons verplichten om informatiedeling transversaal te bekijken. Vandaag proberen we de opnametijd zoveel mogelijk te beperken. De ambulante behandeling voordien en nadien wordt dan logischerwijs belangrijker. Op zich is dat een goede zaak. Maar het betekent wel dat informatiedeling alleen nog maar belangrijker wordt. We moeten dus bij de les blijven, hoe moeilijk het ook is.”

Marc Gryseels: “Informatiedeling is niet enkel belangrijk voor de diagnose en anamnese van de patiënt, maar ook voor de therapiekeuze. Het is daarom cruciaal dat we informatie kunnen delen tussen alle betrokken zorgverstrekkers, inclusief de apotheker. Via een apotheker kan je immers de therapietrouw van de patiënt volgen. En dat is dan weer belangrijk om te weten of de terugbetaling van de therapie door de overheid wel zinvol is. Wij pleiten ervoor om apothekers verantwoordelijk te maken om bij ieder nieuw aangekocht product het dossier van patiënten bij te vullen, en dit zowel voor de medicijnen als voor alle gezondheidszorgproducten. Dat zal in het belang van de consumenten/patiënten zijn.”



« Misschien moeten we ooit evolueren naar een systeem dat bij de terugbetaling deels rekening houdt met het voortraject. Zo worden mensen beter en directer gestimuleerd om zichzelf goed te verzorgen. »

Marc Gryseels
Gedelegeerd Bestuurder BACHI

Willy Vertongen: “Het komt vooral aan op een mentaliteitswijziging. Er wordt nog te veel binnen silo’s en met afzonderlijke patiëntendossiers gewerkt. We spreken bijna letterlijk andere talen. Alle disciplines, van de specialisten in het ziekenhuis tot de zorgverstrekkers die aan huis komen, moeten proberen om elkaar beter te begrijpen. Dat is niet evident, zeker niet wanneer we op instituut niveau blijven denken. We moeten elkaar transversaal leren vertrouwen en geloven in elkaars capaciteiten. Het is niet omdat de nazorg vaker thuis gebeurt dat er minder contact moet zijn met het ziekenhuis, integendeel.”

“Er is trouwens vooral ook een ethische discussie nodig. Technisch is veel mogelijk rond gegevensuitwisseling, maar we moeten vooral zien wat we ermee willen doen. Daarnaast is er een kostenverschuiving waarvan we nu nog niet weten waar dat zal eindigen en hoeveel procent naar waar zal gaan. Ten slotte is het zo dat we alsmaar meer kunnen, maar dat een ruim maatschappelijk debat nodig is over wie recht heeft op de terugbetaling van dure medicijnen of behandelingen.”

Frank Rademakers: “Die beslissing mag in ieder geval niet bij een individuele arts worden gelegd, want dat zou voor hem een onmogelijk dilemma opleveren. Een arts heeft immers altijd het beste voor met zijn patiënten. Deze beslissing moet maatschappelijk worden genomen.”



« Het delen en beschikbaar maken van informatie tussen zorgverleners op de plek waar ze nodig is, is een essentiële vraag van patiënten en burgers. »

Frank Rademakers
Directeur Medische Technologie en Innovatie UZ Leuven

Waarom moeten we blijven inzetten op multidisciplinaire zorg?

Frank Rademakers: “Multidisciplinariteit is niet meer weg te denken uit de gezondheidszorg. En dat is niet enkel tussen verschillende artsendisciplines, maar ook over groepen van zorgverleners. Het gaat verder dan de muren van het ziekenhuis, tot de apotheken, kinesisten, thuiszorg,… Vanuit de verwachtingen en noden van de patiënt en op de plek waar dat best is voor die patiënt moeten zij in samenwerking de zorg kunnen verlenen. Maar dat vergt vertrouwen tussen de verschillende betrokken partijen.”

Marc Gryseels: “Dit zou zelfs tot bepaalde applicaties moeten gaan die patiënten gebruiken om hun gezondheid op te volgen.”

Frank Rademakers: “We weten dat ouderen vaak meerdere pathologieën vertonen. Helaas hebben we geen artsen meer die een grondige kennis hebben van al die verschillende zaken. Geriaters en huisartsen zijn deels multidisciplinair, maar voor echt complexe combinaties zijn zij onvoldoende gespecialiseerd. Patiënten moeten hierdoor tussen verschillende artsen pendelen, wat zeker geen goede oplossing is. We moeten dus ook daar naar een multidisciplinair overleg zoals dat bij de oncologie de regel is.”

Lieven De Smedt: “Binnen de geestelijke gezondheidszorg is dat reeds vrij goed uitgewerkt, ook softwarematig. Het multidisciplinaire EPD is daar zeer performant. Het probleem blijft echter de integratie van informatie van somatische ziekenhuizen. Technisch is dit mogelijk, maar het is zoals reeds gezegd een kwestie van vertrouwen.”



« Technologie is een hulpmiddel dat zeker een shift zal teweegbrengen. Enerzijds kunnen technologieën helpen voorkomen dat mensen ziek worden. Anderzijds maken ze een betere opvolging mogelijk. »

Lieven De Smedt
Algemeen Directeur OBASI

Wilfried Martens: “Bij de ontwikkeling van onze projecten werken we met software die toelaat om ook andere partners toegang te geven, waardoor de uitwisseling van informatie en een multidisciplinair overleg eenvoudiger wordt rond de bewoners in onze assistentiewoningen.”

Frank Rademakers: “Dat kan ook en het gebeurt, maar de taal van de onderliggende systemen is in die mate verschillend dat het automatisch en gestructureerd uitwisselen van informatie echt niet evident is. De informatie van het ene systeem is niet bruikbaar in het andere systeem.”

Raoul De Cuyper: “Binnen de geestelijke gezondheidszorg is er een zeer sterke integratie tussen de verschillende disciplines. De integratie gaat zelfs verder in de richting van transdisciplinariteit, wat niet enkel samendenken is maar effectief samenwerken. Dit soort verbinding ontbreekt tussen de psychische en de somatische zorg. Eén van de oorzaken is dat samenwerking niet gehonoreerd in het huidige prestatiegerichte financieringssysteem. Dit mag gerust voor een stuk prestatiegericht blijven, maar ook kwaliteitsvolle samenwerking moet worden beloond.”

“Ook innovatie en opleiding moeten beter gehonoreerd worden. Werkpunten genoeg: het innoveren van de manier waarop we met innovaties omgaan én het innoveren van onze dagelijkse omgeving, met zo min mogelijk administratie dankzij perfecte informatisering.”

Wat inderdaad met de financiering? Hoe moet die er in de toekomst uitzien?

Luc De Lat: “Om kwaliteitsvol te kunnen honoreren, moeten we eerst de kwaliteit kunnen meten en daar vervolgens de financiering aan koppelen.”

Wouter Beke: “We hebben wat dat betreft in verschillende sectoren belangrijke stappen gezet. Kijk maar naar hoe we vandaag onze apothekers niet meer louter op basis van prestaties financieren, maar ook voor het leveren van een basis dienstverlening. Ook de financiering van de huisartsen volgt die lijn. Dat evenwicht moeten we ook naar andere disciplines brengen. Voorbeelden in het buitenland hebben al getoond dat het volledig loskoppelen van de financiering en de prestaties zeker ook niet optimaal is. Louter prestatiegericht werken, doet dan weer de kosten de pan uit swingen, wat niet haalbaar én ook niet langer verantwoord is. We moeten dus deels naar een evidence based pathologiefinanciering evolueren en daar een goed evenwicht in (blijven) zoeken. Denk aan de discussie tussen huisartsen en apothekers over wie de griepvaccinaties moet zetten. We moeten in dat kader goed nadenken over wat we in de toekomst verwachten van een huisarts, een apotheker, een verpleger, de thuiszorg,… Op zich is dat een heel interessante discussie.”

Frank Rademakers: “We moeten daarbij vertrekken vanuit de vraag hoe we de meeste patiënten gevaccineerd krijgen. Dat moet het doel zijn, terwijl dat momenteel niet op het voorplan staat.”

Marc Gryseels: “De vraag is ook waar de toegevoegde waarde van de arts zit. Volgens mij heeft een arts veel belangrijkere kwaliteiten dan bepaalde types van injecties zetten. Hij zou zijn tijd veel beter kunnen gebruiken.”

Wouter Beke: “Je kan dat debat op verschillende manieren bekijken. Een eerste rationele vraag is inderdaad hoe we op de meest efficiënte, effectieve en gedragen manier tot de best mogelijke gezondheidszorg kunnen komen, en welke zorgverstrekker daar wat voor moet doen. De olifant in kamer is echter de krapte op de arbeidsmarkt, waardoor de vraag rijst welke ziekenhuizen wat nog gaan mogen doen en hoe we alle mensen zo efficiënt mogelijk kunnen inzetten. We moeten dat debat absoluut aangaan, want anders zullen we het moeten ondergaan en zal de arbeidsmarkt de keuze in onze plaats maken. En dat zal niet altijd tot de hoogste efficiëntie leiden.”

Marc Gryseels: “Door het delen van informatie tussen alle zorgprofessionals kunnen we dubbele analyses en onderzoeken vermijden. Daarnaast kan ook een sterkere focus op preventie op termijn een aardige besparing opleveren. Preventie is goedkoper dan het behandelen van reeds bestaande problemen. Toch wordt er nog steeds enorm geïnvesteerd in het behandelen en heel weinig in het voorkomen van aandoeningen door bv. zelfzorg te stimuleren. Er kan wat dat betreft nog veel gebeuren qua communicatie en opvoeding, ook op lokaal niveau.”

Hoe belangrijk is het om nog meer in te zetten op preventie?

Frank Rademakers: “De impact van medische interventies is eerder beperkt wanneer het gaat over preventie. Vooral omgeving en levensstijl – gezond leven dus – zijn erg belangrijk. Dat zijn brede maatschappelijke thema’s waar we zoveel mogelijk mensen in moeten meekrijgen door hen te motiveren en op te leiden. Maar we kunnen hen via technologie ook heel wat informatie te geven over hun gezondheid en de omgeving waarin ze zich begeven. Uiteraard moeten we niet alle verantwoordelijkheid afschuiven op de burger, maar het is maatschappelijk gewoon onmogelijk om dat allemaal in hun plaats te doen.”

Wouter Beke: “Samen met het Vlaams Instituut Gezond Leven hebben we zopas een applicatie voorgesteld rond gezond leven en gezonde voeding. Na één dag was deze al tienduizend keer gedownload. Daarmee beantwoorden we dus duidelijk aan een maatschappelijke behoefte.”

Lieven De Smedt: “Technologieën kunnen een dubbel effect hebben. Enerzijds kunnen ze helpen voorkomen dat mensen ziek worden. Anderzijds maken ze een betere opvolging mogelijk, waardoor we afwijkingen veel sneller kunnen detecteren en behandelen. Naar de arbeidsmarkt toe betekent dat dan dat we de beschikbare mensen meer kunnen inzetten op de complexe gevallen, terwijl de eenvoudige gevallen met technologie kunnen worden verder geholpen.”

Willy Vertongen: “Voor het eerst wordt er op RIZIV niveau over transversale budgetten gesproken voor behandelingen waarbij verschillende professionelen betrokken zijn. Een goed voorbeeld hiervan is chemotherapie. Voor deze patiënten zou het veel beter zijn om hun bloedafname thuis te organiseren en hen vervolgens via een sms de uitslag te laten weten. Maar dan moeten we wel rekening houden met het feit dat de sector van de thuisverpleging nu al iedere dag 15 keer de wereld rond rijdt.”

“Het is dus een ingewikkelde discussie waarbij we allemaal over de muren heen moeten kijken. We vinden dat iedereen vrij moet kunnen kiezen op welke aanbieder van thuiszorg men een beroep wil doen. Op zich is dat prachtig, maar dat betekent dus wel dat er in één straat tot 25 verschillende zorgverstrekkers moeten langskomen. Oplossingen kunnen er enkel komen als iedereen bereid is om ook over ‘heilige huisjes’ te praten en een eerlijke plaats te geven aan ethisch verantwoord zorgondernemerschap.”



« Oplossingen kunnen er enkel komen als iedereen bereid is om ook over ‘heilige huisjes’ te praten en een eerlijke plaats te geven aan ethisch verantwoord zorgondernemerschap. »

Willy Vertongen
CEO Mederi

Wilfried Martens: “Dankzij onze uitgebreide aanwezigheid en dienstverlening in onze assistentiewoningen gaan wij heel preventief tewerk. Hierdoor worden gezondheidsproblemen en eenzaamheid veel sneller opgemerkt. Dat resulteert in veel minder ziekenhuisopnames, minder valincidenten en een uitgestelde – of zelfs geen – verhuis naar het woonzorgcentrum. Veel spelers bieder echter slechts het minimum aan diensten aan of hebben hierover zelfs geen visie bij de start van een ontwikkeling. Velen bevinden zich ook op foute locaties. Dat alles zorgt voor het missen van het doel met deze projecten, die bovendien veelal te kampen hebben met leegstand. Daarom wil ik aan de alarmbel trekken. Als ontwikkelaar en uitbater van groepen van assistentiewoningen zijn we ervan overtuigd dat de wetgeving moet verstrengd worden en dat de overheid ons moet zeggen waar we nog mogen bouwen. Daarnaast moet ze ons opleggen om assistentie te geven, veel meer dan wat vandaag verplicht is. Pas dan kan er echt ook preventief gewerkt worden.”

“Naast de bouw doen we ook zelf de uitbating. Uit die ervaring weten we dat per twintig inwoners één woonassistent nodig is. De rusthuizen zijn echter zeer duur geworden, waarna de lobby van de rusthuisgroepen de overheid heeft overtuigd dat de toekomst lag in het bouwen van assistentieflats naast het rusthuis. De zorg en diensten konden dan op een basic manier gebeuren met een gesubsidieerd iemand vanuit het woonzorgcentrum, die nauwelijks tijd heeft of krijgt voor de assistentiewoningen.”

Raoul De Cuyper: “De complexiteit van de problematieken bij ouderen is zeer pertinent. Er is steeds een verwevenheid van bio-psycho-sociale factoren die bepalend is of iemand al dan niet ziek wordt. Maar dat geldt net zo goed voor anderen. Deze verbanden die het gevolg zijn van processen waarbij de omgeving een grote rol speelt, zijn individueel te onderkennen, maar een oorzakelijk verband leggen tussen ziekte en deze factoren is fout en is ook nog beschuldigend voor het individu ook. Dit impliceert risico’s naar een verkeerde invulling van zelfzorg en preventie. De beste preventie is duidelijk te bereiken op niveau van een ‘samen-leving’, veel meer dan op individuele basis.”

Moeten we mensen zelf verantwoordelijk stellen?

Wouter Beke: “Zoals in alles mogen we niet vervallen in extremen. We mogen mensen inderdaad niet culpabiliseren (bijvoorbeeld een roker die zijn behandeling voor longkanker zelf moet betalen), maar moeten hen er wel bewust van maken dat ze beter niet roken. We moeten naar een grotere bewustwording van de maatschappelijke kosten van het gebrek aan gezondheid. Ook dat is preventie.”

Marc Gryseels: “Je kan die maatschappelijke discussie heel breed trekken. Iemand met een cholesterol die licht te hoog is, zou al preventief maatregelen kunnen nemen om te vermijden dat hij op termijn hoge cholesterol, diabetes of hart- en vaatziekten krijgt. Vanuit de zorgsector zou dan richting moeten worden gegeven. Misschien moeten we ooit evolueren naar een systeem dat bij de terugbetaling deels rekening houdt met het voortraject. Zo worden mensen immers beter en directer gestimuleerd om zichzelf goed te verzorgen.”

Frank Rademakers: “Daar moeten we erg mee opletten. Ik ben voorstander van een sociaal model waarbij je je verzekert voor risico’s en dat deels ook draait op solidariteit. Voor veel factoren is de persoonlijke verantwoordelijkheid immers erg moeilijk aantoonbaar of zelfstandig te wijzigen. Zo zijn roken, eten of druggebruik verslavingen die je niet zo simpel in je eentje kan aanpakken.”

Wouter Beke: “Zo kom je ook heel snel in erg ethische debatten terecht. Denk maar aan de NIPT-test. Stel dat ouders dat niet willen doen of er bij een positief resultaat voor kiezen om toch verder te gaan met de zwangerschap. Dan zou men in een extreem geval kunnen zeggen dat ze er zelf voor hebben gekozen om een kind met het Down Syndroom op te voeden en er dus ook financieel zelf voor moeten opdraaien. Ik ben een voorstander van gedeeltelijke responsabilisering, maar daar mogen we niet naar evolueren. Een beter voorbeeld is het algemene rookverbod in cafés. Daar was indertijd veel discussie over, maar vandaag wordt dat als normaal beschouwd. We moeten mensen dus nog meer wijzen op hun verantwoordelijkheden, maar niet vervallen in uitersten waar we hen daar ook op gaan afrekenen.”

Hoe kunnen we innovatie nog meer stimuleren?

Frank Rademakers: “Er is in de geneeskunde een enorme push vanuit de technologie, maar de aantoonbare voordelen daarvan voor patiënten zijn niet altijd aanwezig. Het is belangrijk dat de impact hiervan met echte gegevens kan worden aangetoond, want anders zullen we dingen introduceren waarvan we niet zeker zijn of het wel veel meerwaarde geeft.”

Luc De Lat: “Is het gevaar dan niet dat we de trein soms zullen missen?”

Frank Rademakers: “Dat argument hoor ik wel vaker. Mijn standpunt is dat we bij gebrek aan evidentie wel kunnen proberen, maar dan moeten we daar gebruik van maken om data te genereren op basis waarvan de evidentie kan worden gecreëerd. Zeker als universitair ziekenhuis hebben we die plicht.”

Luc De Lat: “In Duitsland betaalt men quasi alles terug terwijl men een jaar proefdraait. Daarna doet men een evaluatie en beslist men of men het verderzet. Is dat dan een mogelijk model?”

Frank Rademakers: “Zowel voor de technologische als de farmaceutische innovatie zijn gerandomiseerde trials nodig om een oorzakelijk verband aan te tonen. Maar zulke trials gebeuren wel bij een zeer beperkt doelpubliek. Om de resultaten daarvan de extrapoleren naar een ruimer publiek moet dus echt wel een live test gebeuren waarbij de nodige data worden verzameld.”

Willy Vertongen: “We kunnen veel zeggen over de mogelijkheden van technologie, maar als we een menswaardige zorg willen leveren, zullen we toch nog altijd veel mensen nodig hebben. Door de schaarste aan zorgpersoneel moeten we echter ook hieromtrent innovatief durven denken. Er zijn twintigduizend verpleegkundigen in ons land die hun job mogen en kunnen uitoefenen, maar die niet aan het werk zijn in de sector. We moeten bekijken wat we met dat slapend potentieel kunnen doen. De vraag stelt zich of we diegenen met een buitenlands diploma moeten gelijkschakelen en hoe dat zou moeten gebeuren. Daarnaast moeten we het beroep en de opleiding terug attractief maken. Laat mensen die kiezen voor een zorgberoep meer zorgen voor de mens, laat hen terug aanvoelen waarom ze voor een zorgberoep gekozen hebben. Maar we zouden ook oplossingsgericht kunnen nadenken om op kortere termijn gediplomeerde krachten aan te trekken uit landen waar er een overschot is en hen een degelijke begeleiding te geven.”

Hoe moeten we ons organiseren om een antwoord te bieden op de vergrijzing?

Wilfried Martens: “Assistentieflats blijven een mooie tussenstap voor een doelgroep die wat verkeerd bekeken is. Door onze goede gezondheidszorg komen mensen van 65 jaar immers niet naar ons. Zo’n 80% van onze inwoners zijn vrouwen die alleen zijn komen te staan. Slechts 10% zijn mannen en nog eens 10% zijn koppels waarbij de zorg voor de ene niet meer draagbaar is voor de andere. Het concept van erkende assistentiewoningen is goed en er zullen er nog tienduizenden extra nodig zijn in de komende twintig jaar.”

“Het is echter hoog tijd dat de overheid tussenkomt om bedrijven eruit te filteren die zich vooral richten op het bouwen en verkopen van flats, maar achteraf niet de beloofde diensten leveren. Hierbij denk ik aan een zorgplan dat ontwikkelaars verplicht om minstens drie jaar verantwoordelijkheid te nemen. Best gebeurt dat door mensen echt ter plekke in te schakelen, zodat zij er meteen zijn voor de mensen indien nodig en hierdoor ook veel zorgincidenten kunnen voorkomen.”



« Het is hoog tijd dat de overheid tussenkomt om bedrijven eruit te filteren die zich vooral richten op het bouwen en verkopen van flats, maar achteraf niet de beloofde diensten leveren. »

Wilfried Martens
Zaakvoerder Senior Homes

Frank Rademakers: “De vergrijzing wordt altijd genoemd als een belangrijke factor in de toename van de kost. Dat is zo, maar ook de technologie verhoogt de kosten aanzienlijk. Wat betreft de vergrijzing is vooral het laatste levensjaar erg kostelijk voor onze gezondheidszorg, maar dat geldt uiteraard voor iedereen maar éénmaal. De vergrijzing doet ook het aantal chronische ziekten toenemen. Helaas is het moeilijk om de noodzakelijke multidisciplinaire zorg daarrond te organiseren omdat daar ook geen terugbetaling voor is voorzien.”

Raoul De Cuyper: “Oude mensen hebben vaak een meervoudig ziektebeeld: lichamelijke problemen maar ook beginnende dementie, angsten, moeilijk hanteerbaar gedrag,… Bij gebrek aan een alternatief krijgen zij dan psychofarmaca toegediend. In een doorsnee RVT  is meestal zelfs geen psycholoog aanwezig. Dat intermenselijk contact is nu juist zo belangrijk bij de preventie van mentale aandoeningen. Misschien moeten we dus meer inzetten op het vroeger aanbieden van een zinvolle daginvulling en preventief werken.”

Wouter Beke: “We moeten in Vlaanderen veel meer inzetten op zorgzame buurten en buurtgerichte zorg. We hebben in het verleden in onze gezondheidszorg sterk gefocust op de lichamelijke zorg en te weinig op de psychische zorg. Deze hangen echter wel samen, zeker binnen de chronische problematiek. We moeten ons laten inspireren door goede voorbeelden en ook in de ouderenzorg de kwaliteit garanderen. De inspectie moet in dat kader meteen en autonoom optreden vanaf het moment dat er over de schreef wordt gegaan.”

“De prijzen van de woonzorgcentra zijn inderdaad gestegen, maar dat is deels een logische evolutie. Zij vangen vandaag immers vooral de zwaarst zorgbehoevenden op die in hun laatste levensjaren zitten. Bijgevolg wil slechts 4% van de ouderen er naartoe, terwijl twee derde er wel een positieve appreciatie voor heeft. We zullen ook moeten investeren in capaciteit, wat deels de prijs mee bepaalt. Zo zullen we vijfduizend extra plaatsen in woonzorgcentra creëren. Daarnaast dienen we ook te investeren in de kwaliteit van de zorg én in de betaalbaarheid daarvan door het opzetten van tegemoetkomingen die zijn aangepast aan de realiteit.”

Next article